29.6.12

Het hulpje van de metselaar

Een vertaling voor Maarten van der Graaff

Tot nu toe heb ik jouw broze expansies van de hand
kunnen wijzen, loodlijn die mijn gezicht splijt
jouw verbogen vizier brengt me niet alleen in verlegenheid
maar is ook de gissing die ons bindt.

Ik denk verdomd vaak aan je, Jack Ashbery

na een natte zomer, al neukend in de herfst
gereflecteerd in licht tussen spreekzuilen die verrijzen
als uitzonderingen op de regel onder de wijze glimlach
van de winter gemonteerd op het land
en jouw woorden die verdwijnen in mist of zich te gemakkelijk laten overzetten
in een alledaagse hachee, aura of idee van afleiding -
en de vijgenboom snauwt naar me en komt woest en in draf op me af.

Maar is het deze nieuwe houding, het waterhoofd
half gespiegeld, de zin die plotseling kan opspuiten als gas
of bijten en steken, die ons elke complicatie die we tegenkomen
doet accepteren en zijn we daarom tevreden met het resultaat?
Of is het een modaliteit van kijken
die ons / oh good old Lucebert, sluit de poorten van jouw bacchanaal

laat er geen genade zijn, dood

glijdt door onze vingers / die ons
aan de buitenkant plaatst, verward, puur
waar de oogzenuw het oog verlaat maar onomkoopbaar?
Het verleden om ons heen is dieper dan.
Het heden tart ons, het verleden

kent zulke scrupules niet. Hij wil geen stoet

crepeerde van de pijn. Géén begrafenis

van foutloze en onmogelijke afmetingen

en een enkel vaag woord van ons / wij dichters

vermoeide bakens
van de vlakte
alles behalve onzichtbaar

voor de geest die jouw doel omgeeft.
Jij bent volledig ondergebracht
bij het jofele geabstraheerde, verspilde, weggegooide
zoals het in magere jaren was.
Zijn dit steigerplanken? om aan te gapen
uit schuldgevoel, zoals behang weg kan komen

zonder enige vorm van bewijs?

Het gedicht begint zichzelf te spiegelen.
De identiteit van de dichter wordt steeds duidelijker.
Hij lijdt aan een verdorring van zijn werkelijkheid en de anderen.
Maar er zijn ook dingen die hem verlaten. Ik droom dat je een vlinder bent, kort

gewiekt. En halfweg de taxatie van het veelvoudige zomerrecord
spreekt de bevallige getuige zich tegen
de bevindingen uit:
rillende schuimkoppen als streken op het kompas.
Wat poëzie zou kunnen verklaren. Afstand
die niet kan worden gemeten
of overbrugd. Zoals

in het strand van Wijk aan Zee
me niet veel wordt meegegeven om me erdoorheen te slaan.

Al het schrijven is eeuwig geklets
op vaalgele vlaktes, uitgewas
en jij bent in de wind bij invallende avond

partikel en golving

en dood is de wering en het geneesmiddel
koperpoets en vijlsel

slijpt lichtjes jouw hielen.

Kunstverein Arnsberg

Geen opmerkingen: