7.8.12

John Ashbery's Op een avond, een trein

John Ashbery weet mij als geen ander steeds weer te verrassen, verrukken of verwarren met zijn organische gedichten, die vaak zo mysterieus zijn als het leven zelf. Het volgende gedicht (mijn vertaling) is afkomstig uit zijn een-na-laatste bundel, A Worldly Country (2007):

Op een avond, een trein

Nog altijd in de weer, vrind?
God wil graag dat we deze dingen uitzoeken
voor onszelf. In veel opzichten is het een gok.
Niet dat we griezels zijn, alleen een beetje vreemd,
als ijs in roomijs. En raad eens:
Je kunt gaan en staan waar je wilt en je mag je scheergerei
meenemen. We zijn jouw soort grondig zat.

Majesté, neem me niet kwalijk. Ik hoopte op een klein beetje
medewerking hier, een naar de hand zetten, als u dat wilt.
U sprak met verscheidene mensen
en leidde een wet af, eentje van minder dan zes op deze woeste
halve bol die we de onze noemen; het betaamt ons,
als we knielen, naar zwarte druppels te zoeken
in de heg, terwijl we al die tijd hopen op vrijspraak
van een misdrijf dat we nooit pleegden, alleen meemaakten.
Het was alsof opgroeien op de een of andere manier optioneel was,
alsof je kon kiezen tussen dat en een Chinese watermarteling.
Het kan best zijn dat we de vijand niet vinden, hem ontmoeten,
hem vragen binnen te komen, hem neerpoten in onze fractievergadering,
maar ergens zal men wel lol hebben gehad
om ons. Welnu, over dat resumé...

Eén ding stond me wel aan – het afmatten van de elastieken
woorden langs de wal. Terwijl het seizoen serieus werd
leek de garage te stoppen met ademen.
Het was dit of wij, met zekerheid,
maar hoeveel meer getuigen zouden komen opdagen
op dat afgelegen en, het moet worden toegegeven, niet
zeer gunstige moment? Aangenomen wordt
dat als alle kostgangers vertrokken zijn
er een of twee afzonderlijke crises overblijven om tactvol te worden aangepakt.
De weltergewichten, vlieggewichten en bantamgewichten
moeten ook beheerd worden. Bovendien dienen er struikrovers
te worden teruggedreven of hoe dan ook op een dwaalspoor gebracht.
Ik ben bang dat het allemaal vreselijk ingewikkeld is,
zij het simpel genoeg als het recht in de ogen wordt gekeken.

Ik weet haar naam niet.
Ik ken haar niet goed.


Uit de omlijsting - titel en twee afsluitende cursieve zinnen - zou je kunnen afleiden dat het toneel waarop het e.e.a. zich vertoont een treincoupé voorstelt, waarin zich een zij (schertsend aangesproken met majesteit) en hoogstwaarschijnlijk een hij (ik-figuur, aangesproken met vrind en in het bezit van scheergerei) bevinden. Volgens hem, en ik zie geen reden om daar aan te twijfelen, kennen ze elkaar niet of nauwelijks. Als er al daadwerkelijk een gesprek tussen deze twee passanten heeft plaatsgevonden, dan toch over het weer, lijkt me, en niet zo intiem én intimiderend als hierboven.

Nee, ik beeld me in dat alles zich afspeelt in het hoofd van de ik-figuur. Hij legt majesteit de eerste strofe in de mond en dient haar vervolgens in de volgende twee strofen in gedachten van repliek. De precieze aanleiding tot het innerlijke gesprek blijft onduidelijk.

Majesteit is niet erg vriendelijk, ze is de ‘soort’ waartoe de ik-figuur behoort zat en hij mag opkrassen. De ik-figuur verweert zich op rustige en besliste toon: hij weet zeker dat hij van een misdrijf wordt beschuldigd dat hij nooit heeft gepleegd, alleen meemaakte. In de derde strofe spreekt de ik-figuur majesteit aan op een politiek getint pamflet, waarmee zij op de een of andere manier in verband kan worden gebracht en hij inhoudelijk niet veel op lijkt te hebben.

Daar waar majesteit en de ik-figuur blijkbaar weten waar ze het over hebben, blijft de lezer in het ongewisse. Dit is een raadselachtig gedicht dat me niettemin (of misschien wel juist daarom) blijft boeien.

Hé. John Ashbery is gay. Stel dat 'jouw soort' in regel zeven daar naar verwijst. U zou het gedicht nu toch echt nogmaals moeten lezen.

PS Voor een mogelijke verklaring van de 'zwarte druppels' in de tweede strofe zie
http://en.wikipedia.org/wiki/Kendal_Black_Drop.

Frank O'Hara en John Ashbery, 1953

Geen opmerkingen: